Naar boven ↑

Update

Nummer 9, 2026
Uitspraken van 26 februari 2026 tot 4 maart 2026
Redactie: prof. mr. dr. A.R. Houweling, mr. L. Kirkpatrick, mr. M. Assenberg van Eijsden, mr. R. van Hemert, mr. P.H. de Jongh, mr. C.P. Kuijer, mr. drs. T.J. Post, I.J. Schipper, mr. S.A. Slootweg, mr. V. Twilt, mr. R.R.T. van de Ven en mr. S. Wiersma-Helal.

Geachte heer/mevrouw,

Bijgaand treft u weer een nieuwe AR Update aan.

Rechtspraak
Graag wijzen wij u op de volgende uitspraken.

Ktr.: prejudiciële vragen aan Hoge Raad over opbouw vakantiedagen tijdens slapend dienstverband
In AR 2026-0321 overweegt de kantonrechter Rotterdam dat over de vraag of vakantiedagen worden opgebouwd tijdens een slapend dienstverband inmiddels meerdere procedure zijn gevoerd. In een zestal beschikkingen van kantonrechters is het tot (deels tegenstrijdige) uitspraken gekomen:
Kantonrechter Nijmegen 5 juni 2024, zie AR 2024-0858
Kantonrechter Arnhem 12 augustus 2025, zie AR 2025-1064
Kantonrechter Groningen 19 december 2025, zie AR 2026-0026
Kantonrechter Dordrecht 5 februari 2026, zie AR 2026-0291
Kantonrechter Utrecht 18 februari 2026, nog niet gepubliceerd
Kantonrechter Rotterdam 24 februari 2026, zie AR 2026-0309

Ook de literatuur is verdeeld. Naar verwachting zal over dit onderwerp nog veel vaker worden geprocedeerd, tot de Hoge Raad uitsluitsel geeft over de vraag of vakantiedagen worden opgebouwd tijdens een slapend dienstverband. De kantonrechter is daarom voornemens een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad te stellen.

In AR 2026-0309 oordeelt een andere kantonrechter dat er geen recht op vakantieopbouw ontstaat tijdens het slapende dienstverband. De werkneemster met een slapend dienstverband heeft geen werk om van te herstellen: zij heeft immers geen verplichting om arbeid te verrichten en geen verplichting tot re-integratie. Dat recuperatie bij langdurig zieke werknemers die geen verplichting meer hebben tot re-integratie niet aan de orde is, volgt ook uit het Daf-arrest van de Hoge Raad. De door het Hof van Justitie EU geformuleerde doelen (bijkomen door rust, ontspanning en vrije tijd) kunnen dus niet meer worden behaald. Dat het vakantieloon bedoeld is om werknemers tijdens hun vakantie in een economisch vergelijkbare positie te brengen, zoals het Hof van Justitie EU herhaaldelijk heeft geoordeeld, speelt evenmin bij een slapend dienstverband. Een zieke werknemer die niet in staat is om te werken zal na 104 weken in de regel recht hebben op een uitkering. Als de werknemer een WIA- of WW-uitkering ontvangt, dan mag hij met behoud van uitkering ook vakantie genieten. Tijdens vakanties loopt die uitkering immers door. Er is in onze nationale regelgeving dus een andere voorziening die ook voorziet in betaalde vakantie voor de werknemer met een slapend dienstverband. Als de werknemer in dezelfde periode ook nog betaalde vakantiedagen zou opbouwen, dan is dat dus dubbelop. Gelet op dit alles kan niet worden gezegd dat artikel 7:634 lid 1 BW strijdig is met artikel 31 lid 2 EU-Handvest.

Ook de kantonrechter in AR 2026-0291 wijst de vordering tot opbouw vakantiedagen over slaapperiode af.

A-G: geen verzwaarde stelplicht bij i-grond. Evenmin is vereist dat ten minste één ontslaggrond bijna voldragen is
In AR 2026-0329 concludeert de A-G (Drijber) dat bij ontbinding op de i-grond geen verzwaarde stelplicht geldt voor de werkgever. Als uit de omstandigheden van twee aangevoerde andere gronden blijkt dat er sprake kan zijn van i-grond, is – binnen de grenzen van artikel 24 Rv – voldaan aan de stelplicht door de werkgever.
De opvatting dat ten minste één van de aangevoerde ontslaggronden bijna voldragen moet zijn, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Omstandigheden van verschillende ontslaggronden moeten tezamen de i-grond rechtvaardigen.

Hof: persoonlijke omstandigheden rechtvaardigen beroep op luizengaatje
In AR 2026-0332 oordeelt het hof dat hoewel er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen en werkneemster geen berouw over haar handelen toont, de transitievergoeding met een beroep op artikel 7:673 lid 8 BW voor toewijzing vatbaar is. Daarbij neemt het hof in aanmerking de lange duur van het dienstverband (bijna achttien jaar), de verder goede staat van dienst, de leeftijd van 62 jaar en het geringe opleidingsniveau. Vooral de leeftijd en het geringe opleidingsniveau maken dat aannemelijk is dat de kansen van werkneemster op de arbeidsmarkt ongunstig zijn, waardoor de verwachting reëel is dat werkneemster voor langere tijd werkloos zal zijn. Ten slotte neemt het hof in aanmerking dat werkneemster niet in aanmerking komt voor de bovenwettelijke WW-uitkering uit hoofde van de cao omdat de ontbinding – in hoger beroep – is gegrond op verwijtbaar handelen (e-grond) in plaats van op een verstoorde arbeidsrelatie (g-grond).

Hof: uitlating van werknemer ter zitting ‘door alle emotie wil ik eigenlijk toch niet meer bij Fooditive werken’ kan niet leiden tot verlies loonaanspraak artikel 7:628 BW
In AR 2026-0330 oordeelt het hof over de vraag of een uitlating van werknemer ter zitting (eerste aanleg) dat hij door alle emotie eigenlijk toch niet meer wil werken voor werkgever, leidt tot verlies van een loonaanspraak op grond van artikel 7:628 BW. Naar het oordeel van het hof is dit niet het geval, nu niet blijkt dat de rechter werknemer ter zitting heeft gewezen op de mogelijke gevolgen van zijn uitspraak, die evident in een emotionele bui plaatsvond en daardoor niet als wilsuiting kan worden beschouwd. Dat werknemer een bijbaan had bij Praxis en werkgever geen loon kan betalen als er niet ook (eerst) is gewerkt, doet niet ter zake.

Ktr.: strafrechtelijke veroordeling wegens een levensdelict rechtvaardigt ontbinding op de h-grond
In AR 2026-0326 oordeelt de kantonrechter dat de strafrechtelijke veroordeling van werknemer tot een gevangenisstraf van vijftien jaar voor doodslag en het verbergen of wegmaken van een lijk met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen, een ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de h-grond rechtvaardigt. Werknemer stelt op zichzelf terecht dat er geen relatie is tussen het strafbare feit waarvoor hij is veroordeeld en zijn functie of werkzaamheden. Dat staat echter niet in de weg aan ontbinding. Het ontbreken van die relatie legt onvoldoende gewicht in de schaal tegenover de hiervoor genoemde omstandigheden die de ontbinding wel rechtvaardigen (grote onrust op het werk). 

Ktr.: twee proefdagen voor aanvang dienstverband tellen mee in het kader van de ketenregeling. Aanzegging is geen opzegging.
In AR 2026-0290 oordeelt de kantonrechter dat de twee proefdagen in december kwalificeren als eerste arbeidsovereenkomst in de keten van artikel 7:668a BW. Er was immers sprake van een ervaren arbeidskracht in de horeca die op die dag heeft gewerkt en daartoe instructies kreeg. Ten aanzien van de verplichting tot betaling van loon stelde werknemer dat de proefuren van 10 en 17 december 2023 in oktober 2024 zijn verrekend met de openstaande min-uren, en op die manier betaald zijn gesteld. Volgens werknemer had werkgever regelmatig tussen de bedrijven door aangegeven dat hij 'de uren niet was vergeten' en 'dat het goed zou komen', maar heeft werknemer zelf nooit druk achter de betaling gezet omdat werkgever het, mede in verband met zijn ernstig zieke echtgenote, al druk en zwaar genoeg had.
De aanzegging van de vermeende tijdelijke arbeidsovereenkomst kan in retrospectief niet worden aangemerkt als een opzegging van de arbeidsovereenkomst.

Inzenden eigen rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij ingezonden rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u zelf over een nog niet gepubliceerde uitspraak die relevant is voor de arbeidsrechtpraktijk en rechtsontwikkeling, klik dan hier om de geanonimiseerde uitspraak in te zenden.

Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar klantenservice@boom.nl.

Rest ons nog u een bijzonder fijne dag toe te wensen.

Met vriendelijke groet,

Prof. mr. A.R. (Ruben) Houweling en mr. L. (Linde) Kirkpatrick (hoofdredactie)

Hoge Raad

Hof

Rechtbank