Naar boven ↑

Update

Nummer 7, 2026
Uitspraken van 12 februari 2026 tot 18 februari 2026
Redactie: prof. mr. dr. A.R. Houweling, mr. L. Kirkpatrick, mr. M. Assenberg van Eijsden, mr. R. van Hemert, mr. P.H. de Jongh, mr. C.P. Kuijer, mr. drs. T.J. Post, I.J. Schipper, mr. S.A. Slootweg, mr. V. Twilt, mr. R.R.T. van de Ven en mr. S. Wiersma-Helal.

Geachte heer/mevrouw,

Bijgaand treft u weer een nieuwe AR Update aan.

Rechtspraak
Graag wijzen wij u op de volgende uitspraken.

HR: wettelijke verhoging ook tijdens faillissement verschuldigd ondanks loongarantieregeling. Wettelijke verhoging vormt een preferente boedelschuld, wettelijke rente niet. Curator heeft jegens werknemers informatieplicht
In AR 2026-0250 oordeelt de Hoge Raad over de vraag of een curator tijdens faillissement wettelijke rente en wettelijke verhoging verschuldigd is over (te late) loonbetalingen en of dit preferente boedelvorderingen zijn. De Hoge Raad wijst erop dat faillissement geen wijzigingen brengt in de duurverbintenissen zoals die golden voor faillissement. De loongarantieregeling doet niets af aan de verplichting van de curator om het loon tijdig te betalen. Over te late betalingen is wettelijke rente en wettelijke verhoging verschuldigd. De wettelijke verhoging vormt een preferente boedelschuld. Wettelijke rente niet (concurrente vordering). De rechter mag in een voorkomend geval gebruikmaken van zijn discretionaire bevoegdheid om de wettelijke verhoging te matigen (tot nihil). De curator heeft jegens de werknemers van de failliet een informatieplicht. Voor een geval als in deze zaak aan de orde is, volstaat in dit verband een kennisgeving door de curator aan de werknemer – bijvoorbeeld ter gelegenheid van of kort na de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de curator – dat hij voor het loon, de wettelijke verhoging en de wettelijke rente daarover jegens de boedel aanspraak op betaling kan maken.

Ktr.: ook niet-functiegerelateerde op initiatief van de werknemer gekozen (maar wel gewenste) scholing valt onder artikel 7:611a BW (opleiding verzorgende IG)
In AR 2026-0246 staat artikel 7:611a BW centraal. Interessant zijn met name de overwegingen van de kantonrechter met betrekking tot het derde studiekostenbeding. Op initiatief van de werknemer was een leer-arbeidsovereenkomst gesloten voor de opleiding verzorgende IG. Omdat de functie van werknemer evenwel ‘leerling-verzorgde IG’ betrof, de werkgever structureel vacatures voor deze functie had openstaan, werkgever belang had bij doorgroei en behoud van werknemer en werkgever zich bemoeide met de opleidingsinstellingskeuze, is sprake van ‘noodzakelijk scholing’ in de zin van het artikel.

Ktr.: vervalbeding in bonus-deferralregeling (binnen bonusperiode niet in dienst treden bij concurrent) kwalificeert niet als een concurrentiebeding
Het vervalbeding in de Deferral Policy kwalificeert niet als een concurrentiebeding in de zin van artikel 7:653 BW: hoewel het mislopen van een substantiële uitgestelde bonus een prikkel kan vormen en feitelijk invloed kan hebben op keuzes na einde dienstverband, beperkt het beding werknemer niet in zijn bevoegdheid om elders te gaan werken, maar verbindt het slechts een (uitbetalings)voorwaarde aan een beloningscomponent; het ‘echte’ concurrentiebeding staat al in de arbeidsovereenkomst en heeft werknemer gedurende een jaar daadwerkelijk beperkt. Omdat het vervalbeding geen concurrentiebeding is, kan het niet op die grond worden vernietigd, aldus de kantonrechter in AR 2026-0239.

Ktr.: Pgb-werkneemster heeft geen belang bij vordering indirecte discriminatie wegens verkorte loondoorbetaling (art. 7:629 lid 2 BW), omdat zij op grond van CRvB-rechtspraak aanspraak heeft op een Ziektewetuitkering
In AR 2026-0229 oordeelt de kantonrechter in een artikel 96 Rv-procedure dat werkneemster (die meer dan zes weken arbeidsongeschikt was) geen belang heeft bij een uitspraak over mogelijk verboden onderscheid wegens geslacht bij toepassing van de verkorte loondoorbetaling tijdens ziekte, omdat werkneemster inmiddels aanspraak kan maken op een Ziektewetuitkering (van gelijke hoogte). In de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 maart 2023 (ECLI:NL:CRVB:2023:481) is geoordeeld dat pgb-zorgverleners die onder de reikwijdte van de regeling vallen, niet mogen worden uitgesloten van de verplichte verzekering voor de Werkloosheidswet (WW), omdat het uitsluiten van deze groep indirecte discriminatie van vrouwen oplevert (de uitzonderingsbepaling treft een aanzienlijk hoger percentage vrouwen dan mannen). Vanwege deze uitspraak heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 13 mei 2025 een wetsvoorstel ingediend waarin alle pgb-zorgverleners met een arbeidsovereenkomst, die doorgaans minder dan vier dagen per week werken, per 1 januari 2026 dezelfde rechten krijgen als werknemers die niet onder de regeling vallen. Dat geldt zowel voor de sociale zekerheid als de andere rechten, zoals het recht op loon bij ziekte. Omdat verzoekster al in 2023 ziek werd, gelden voor haar nog de oude regels. Toch heeft de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep waarschijnlijk wel gunstige gevolgen voor verzoekster. Uit de toelichting op het wetsvoorstel blijkt namelijk dat het UWV te kennen heeft gegeven de uitspraak ook toe te passen op de Ziektewet en in de praktijk geeft het UWV al met terugwerkende kracht tot 16 december 2021 uitvoering hieraan. 

Ktr.: manage die een klein aandeel dagbesteding met Wmo/Wlz-zorg aanbiedt, valt onder verplicht pensioen PFZW, ondanks hoofdzakelijk paardrijlessen
In AR 2026-0248 oordeelt de kantonrechter over de reikwijdte van de verplicht gestelde pensioenregeling in de sector Zorg en Welzijn (PFZW) ten aanzien van een manage waarvan de activiteiten hoofdzakelijk bestaan uit het aanbieden van paardrijlessen. Vanaf 1 januari 2021 biedt zij daarnaast zorgactiviteiten aan in de vorm van kleinschalige dagbesteding voor mensen met een zorgvraag, gericht op het werken aan zelfstandigheid, zelfvertrouwen en sociale vaardigheden. Zij heeft hiervoor een orthopedagoog in dienst en ontvangt financiering op grond van de Wmo en de Wlz. De kantonrechter oordeelt dat het besluit niet vereist dat een werkgever een zorginstelling is. Bepalend is uitsluitend of de werkgever een van de omschreven vormen van zorg verleent. Werkgeefster verleent zorg in de vorm van begeleiding (art. I-A, ad a, sub 4), gefinancierd uit de Wmo en Wlz. Dat haar activiteiten hoofdzakelijk uit rijlessen bestaan, doet niet ter zake: voor deze categorie geldt geen hoofdzakelijkheidscriterium. 

Inzenden eigen rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij ingezonden rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u zelf over een nog niet gepubliceerde uitspraak die relevant is voor de arbeidsrechtpraktijk en rechtsontwikkeling, klik dan hier om de geanonimiseerde uitspraak in te zenden.

Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar klantenservice@boom.nl.

Rest ons nog u een bijzonder fijne dag toe te wensen.

Met vriendelijke groet,

Prof. mr. A.R. (Ruben) Houweling en mr. L. (Linde) Kirkpatrick (hoofdredactie)

Hoge Raad

Hof

Rechtbank