Naar boven ↑

Update

Nummer 6, 2026
Uitspraken van 5 februari 2026 tot 11 februari 2026
Redactie: prof. mr. dr. A.R. Houweling, mr. L. Kirkpatrick, mr. M. Assenberg van Eijsden, mr. R. van Hemert, mr. P.H. de Jongh, mr. C.P. Kuijer, mr. drs. T.J. Post, I.J. Schipper, mr. S.A. Slootweg, mr. V. Twilt, mr. R.R.T. van de Ven en mr. S. Wiersma-Helal.

Geachte heer/mevrouw,

Bijgaand treft u weer een nieuwe AR Update aan.

Rechtspraak
Graag wijzen wij u op de volgende uitspraken.

HR: opzegverbod staat niet in de weg aan ETO-redenen-ontslag (a-grond) na overgang van onderneming
In AR 2026-0218 oordeelt de Hoge Raad over de vraag of ETO-redenen een ontslag na overgang van onderneming rechtvaardigen. Hij overweegt als volgt. Hoewel dit niet met zoveel woorden in artikel 7:670 lid 8 BW is opgenomen, moet deze bepaling, gelezen in overeenstemming met artikel 4 lid 1 Richtlijn 2001/23/EG, zo worden begrepen dat deze geen beletsel vormt voor ontslagen om economische, technische of organisatorische redenen die wijzigingen voor de werkgelegenheid met zich brengen. Daarbij geldt dat ontslagen in een context van de overgang van een onderneming moeten zijn ingegeven door economische, technische of organisatorische redenen op het gebied van de tewerkstelling die geen intrinsiek verband houden met deze overgang.

Dat het moet gaan om economische, technische of organisatorische redenen op het gebied van tewerkstelling die geen intrinsiek verband houden met de overgang van onderneming, betekent naar het oordeel van de Hoge Raad niet dat er geen enkel verband mag bestaan tussen de overgang van onderneming en de aan het ontslag ten grondslag gelegde economische, technische of organisatorische redenen. Dat volgt reeds uit het gegeven dat het gaat om ontslagen in de context van een overgang van een onderneming. Aanvullende omstandigheden kunnen maken dat ontslag zich verdraagt met de eis dat er sprake is van economische, technische of organisatorische redenen die geen intrinsiek verband houden met de overgang van onderneming. Richtlijn 2001/23/EG beoogt in het geval van overgang van een onderneming immers niet alleen de belangen van de werknemers te beschermen, maar wil een billijk evenwicht verzekeren tussen hun belangen en die van de verkrijger. Zij preciseert meer bepaald dat de verkrijger de aanpassingen en veranderingen moet kunnen doorvoeren waartoe de voortzetting van zijn activiteiten noopt.

HR: bij begroten billijke vergoeding ex artikel 7:671b lid 9 sub c BW mag mogelijke WW-uitkering op gederfd loon in mindering worden gebracht.
In AR 2026-0217 staat de vraag centraal of het hof terecht de WW-uitkering in mindering heeft gebracht op de geprognotiseerde inkomstenderving van werknemer bij de vaststelling van de billijke vergoeding (ernstig verwijtbaar handelen werkgever wegens onder meer schending re-integratieverplichtingen en aansturen op ontslag). De Hoge Raad overweegt dat als de rechter bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houdt met de gevolgen voor de werknemer van het voortijdige einde van de arbeidsovereenkomst, het voor de hand ligt dat hij in dat verband niet alleen rekening houdt met nadelen (verlies van loon) maar ook met eventuele voordelen (zoals het recht op een uitkering of de mogelijkheid andere inkomsten te verwerven) die daarmee voldoende samenhangen. In welke mate de aldus vastgestelde gevolgen de hoogte van de billijke vergoeding bepalen, zal mede afhangen van de aanwezigheid van andere omstandigheden die bij het vaststellen van de vergoeding van belang zijn. Daarbij kan ook meewegen of de werknemer wordt benadeeld in mogelijk toekomstige rechten op een werkloosheidsuitkering. Uiteindelijk komt het immers aan op een beoordeling van alle omstandigheden in het licht van hetgeen partijen daarover hebben aangevoerd. 

Ktr.: bijklussende Belastingdienstambtenaar (tegen betaling belastingaangiftes verzorgen in de avonduren) leidt tot ontbinding wegens (ernstig) verwijtbaar handelen
In AR 2026-0202 oordeelt de kantonrechter over het volgende. Bij de Belastingdienst ontstond het vermoeden dat werknemer tegen betaling in de avonduren belastingaangiftes verzorgde en fiscale adviezen gaf en daarbij mogelijk de interne systemen raadpleegde. Bij brief van 27 juli 2025 heeft de staat werknemer geschorst in het belang van de organisatie wegens een vermoeden van een ernstige integriteitsschending. Met de staat is de kantonrechter van oordeel dat uit die feiten blijkt dat werknemer ernstig verwijtbaar gehandeld heeft, omdat (i) hij in strijd met het verbod op nevenwerkzaamheden heeft gehandeld, (ii) het vaststaat dat hij onbevoegd de systemen van de Belastingdienst heeft geraadpleegd en (iii) vast is komen te staan dat hij de onbevoegd uit de systemen verkregen informatie heeft gebruikt voor zijn verboden fiscale advisering. De staat heeft terecht gewezen op de bijzondere positie van de Belastingdienst in de maatschappij en de vele gegevens van burgers en bedrijven waar zij over beschikt. Burgers en bedrijven moeten erop kunnen vertrouwen dat hun persoonsgegevens bij de Belastingdienst in veilige handen zijn en dat er vertrouwelijk mee omgegaan wordt. De arbeidsovereenkomst wordt per direct ontbonden zonder dat werknemer aanspraak kan maken op de transitievergoeding.

Inzenden eigen rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij ingezonden rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u zelf over een nog niet gepubliceerde uitspraak die relevant is voor de arbeidsrechtpraktijk en rechtsontwikkeling, klik dan hier om de geanonimiseerde uitspraak in te zenden.

Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar klantenservice@boom.nl.

Rest ons nog u een bijzonder fijne dag toe te wensen.

Met vriendelijke groet,

Prof. mr. A.R. (Ruben) Houweling en mr. L. (Linde) Kirkpatrick (hoofdredactie)

Hoge Raad

Hof

Rechtbank