Naar boven ↑

Update

Nummer 38, 2026
Uitspraken van 17 september 2026 tot 23 september 2026
Redactie: prof. mr. dr. A.R. Houweling, mr. drs. T.J. Post, mr. O.G.M. Arkesteijn, mr. M. Assenberg van Eijsden, mr. M. Barendregt, mr. S.C. Frinking, mr. M.J. van Gils, mr. P.H. de Jongh, mr. C.P. Kuijer, mr. I.J. Schipper, mr. S.A. Slootweg, mr. V. Twilt, mr. R.R.T. van de Ven en mr. S. Wiersma-Helal.

Geachte heer/mevrouw,

Bijgaand treft u weer een nieuwe AR Update aan.

Verzamelwet SZW 2027: nieuw loonbegrip in Wml
Deze week heeft de Raad van State positief geadviseerd op het wetsvoorstel Verzamelwet SZW 2027. In deze wet wordt onder meer een wijziging van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml) voorgesteld. In artikel 6 Wml is geregeld wat onder loon in de Wml wordt verstaan (het loonbegrip). In het huidige artikel 6 Wml wordt loon omschreven als de geldelijke inkomsten uit hoofde van de dienstbetrekking, met uitzondering van een aantal limitatieve componenten die specifiek benoemd worden. Uitzonderingen zijn bijvoorbeeld de vakantiebijslag, winstuitkeringen, uitkeringen bij bijzondere gelegenheden, onkostenvergoedingen en de transitievergoeding. Hiermee suggereert dit loonbegrip onbedoeld dat verschillende looncomponenten – zoals toeslagen voor ploegendienst en onregelmatig werk – gebruikt kunnen worden om te voldoen aan het wettelijk minimumuurloon. Dit heeft tot gevolg dat het huidige loonbegrip niet in lijn is met de strekking van artikel 8 Wml en daarmee voor verwarring zorgt. Het basisuurloon (kale uurloon) dient immers ten minste gelijk te zijn aan het wettelijk minimumuurloon. Daarom wordt met het onderhavige wetsvoorstel artikel 6 lid 1 Wml opnieuw vastgesteld. In het nieuwe artikel 6 lid 1 wordt geregeld dat onder het loon in de Wml het basisloon wordt verstaan. Aanvullende of variabele componenten vallen niet onder dit begrip, ongeacht de bewoording die aan deze componenten wordt gegeven. Klik hier om alle wijzigingen en de toelichting te lezen.

Rechtspraak
Graag wijzen wij u op de volgende uitspraken.

HvJ EU: niet stellen van prejudiciële vragen door hoogste nationale rechter aan het Hof van Justitie inzake uitleg van Unierecht (in casu het begrip overgang van een vestiging) kan leiden tot een gekwalificeerde schending van Unierecht (staatsaansprakelijkheid)
In AR 2026-1488 staat de vraag centraal of werknemers recht hebben op schadevergoeding van de staat wegens het niet stellen van prejudiciële vragen over de uitleg van het begrip ‘overgang van onderneming’ in 2009. Het Hof van Justitie zet in deze uitspraak duidelijk uiteen onder welke voorwaarden de staat aansprakelijk kan worden gesteld. De enkele omstandigheid dat geen prejudiciële vragen zijn gesteld, is onvoldoende. Daarvoor is nodig dat de vraag gesteld had moeten worden (omdat de vraag die voorligt nog niet eerder door het Hof is beantwoord), de uitlegging onjuist is en de verwijzende rechter niet verschoonbaar zijn verplichting heeft geschonden, bijvoorbeeld omdat hij niet wist dat een bepaalde uitlegging mogelijk zou zijn. In casu ging het om een overgang van luchtvaartmaatschappijactiviteiten van een ‘ontbonden dochter’ aan de moeder, waarbij de nationale rechter meende dat een zelfstandige activiteit niet kon opgaan met een functionele band in de verkrijger en tevens het belang van kapitaalintensieve sectoren had miskend.

De uitspraak is nuttig omdat deze richtsnoeren geeft voor onze Hoge Raad wanneer wel en wanneer niet in een zaak waarin Unierecht een rol speelt, prejudiciële vragen moeten worden gesteld. De uitspraak is ook nuttig voor de overgang-van-ondernemingspraktijk, omdat het Hof een mooie samenvatting geeft van veel van zijn arresten over dit onderwerp.

Ktr.: zieke werkneemster met Pfeiffer-klachten terecht op staande voet ontslagen na deelname aan Hyrox-wedstrijd
In AR 2026-1478 oordeelt de kantonrechter dat werkneemster terecht op staande voet is ontslagen. Op 10 februari 2026 heeft werkneemster zich ziek gemeld vanwege spanningen in de arbeidsrelatie. Op 13 maart 2026 heeft werkneemster laten weten dat zij de ziekte van Pfeiffer (en een zware keelontsteking) heeft en daardoor niet in staat is om te werken. Zij geeft aan door kleine inspanningen al moe te zijn en overdag veel te slapen. Ondanks deze ziekte heeft werkneemster op 27 maart 2026 deelgenomen aan een Hyrox, een fitnesscompetitie waarbij deelnemers acht keer achter elkaar een kilometer hardlopen en vervolgens een fitnessoefening doen. Toen werkgeefster werkneemster hiermee confronteerde, was haar reactie dat sporten gezond is. De kantonrechter oordeelt het ontslag rechtsgeldig, omdat het noodzakelijk vertrouwen volledig is komen te vervallen.

Ktr.: herkwalificatie leidt tot gebruikelijk loon en (mogelijk) terugbetaling van te veel ontvangen zzp-loon
In AR 2026-1486 oordeelt de kantonrechter dat een jarenlange samenwerking via een vof kwalificeert als arbeidsovereenkomst. Vervolgens wordt met behulp van artikel 7:618 BW bepaald wat het ‘loon’ behoort te zijn van werknemer. Omdat er geen vergelijkbare maatman te vinden is in deze samenwerking, stelt de rechter een ‘billijk loon’ vast. De werkverschaffer stelt zich op het standpunt dat in retrospectief te veel is betaald en vordert geld terug. De kantonrechter houdt de zaak aan om partijen in de gelegenheid te stellen zich nader uit te laten over de verschillende kostenposten en vorderingen.

Ktr.: niet-geaccepteerde hersteldmelding kort voor einde 104 weken geeft geen recht op loon, ondanks oordeel UWV
In AR 2026-1448 oordeelt de kantonrechter dat na de periode van 104 weken ziekte alleen recht op loon bestaat als voldoende aannemelijk is dat werknemer weer arbeidsgeschikt was. Aan het UWV-deskundigenoordeel komt geen doorslaggevende betekenis toe, omdat geen hoor en wederhoor is toegepast, geen informatie bij behandelaars is opgevraagd en het oordeel onvoldoende is gemotiveerd. Bovendien is het oordeel voorwaardelijk geformuleerd en niet goed te rijmen met de beoordelingen van de bedrijfsarts, die ook na de hersteldmelding nog beperkingen vaststelde en duurzame werkhervatting afhankelijk achtte van oplossing van het arbeidsconflict. Dat conflict bestaat nog steeds en werknemer heeft geen andere concrete aanknopingspunten voor zijn gestelde arbeidsgeschiktheid aangedragen. Onvoldoende aannemelijk is daarom dat werknemer de overeengekomen arbeid kon verrichten. De loonvordering en wedertewerkstelling worden afgewezen.

Inzenden eigen rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij ingezonden rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u zelf over een nog niet gepubliceerde uitspraak die relevant is voor de arbeidsrechtpraktijk en rechtsontwikkeling, klik dan hier om de geanonimiseerde uitspraak in te zenden.

Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar klantenservice@boom.nl.

Rest ons nog u een bijzonder fijne dag toe te wensen.

Met vriendelijke groet,

Prof. mr. A.R. (Ruben) Houweling en mr. drs. T.J. (Theo) Post (hoofdredactie)

Hof van Justitie van de Europese Unie

Hof

Rechtbank