Naar boven ↑

Update

Nummer 33, 2026
Uitspraken van 13 augustus 2026 tot 19 augustus 2026
Redactie: prof. mr. dr. A.R. Houweling, mr. drs. T.J. Post, O.G.M. Arkesteijn, mr. M. Assenberg van Eijsden, mr. M. Barendregt, mr. S.C. Frinking, M.J. van Gils, mr. P.H. de Jongh, mr. C.P. Kuijer, mr. I.J. Schipper, mr. S.A. Slootweg, mr. V. Twilt, mr. R.R.T. van de Ven en mr. S. Wiersma-Helal.

Geachte heer/mevrouw,

Bijgaand treft u weer een nieuwe AR Update aan.

Rechtspraak
Graag wijzen wij u op de volgende uitspraken.

Hof: voortzetting samenwerking via eenmanszaak na dienstverband kwalificeert als overeenkomst van opdracht
In AR 2026-1280 oordeelt het hof over de situatie dat werknemer na acht jaar dienstverband zijn arbeidsovereenkomst beëindigt en vanuit zijn eenmansbedrijf (onder meer) voor ex-werkgever werkzaam blijft als IT’er. Als in 2025 de samenwerking eindigt, vordert werknemer een arbeidsovereenkomst met ex-werkgever. Het hof erkent dat enkele omstandigheden in de richting van een arbeidsovereenkomst wijzen, zoals het eerdere dienstverband, de lange duur van de relatie en het feit dat werknemer de werkzaamheden steeds persoonlijk verrichtte. Daartegenover staan volgens het hof echter zwaarder wegende omstandigheden die passen bij een overeenkomst van opdracht. Partijen onderhandelden telkens over nieuwe overeenkomsten met bepaalde looptijd. Werknemer deed tegenvoorstellen, hanteerde eigen algemene voorwaarden en liet zich deskundig adviseren. Hij was vrij in de indeling van zijn uren, declareerde wisselende bedragen, bracht btw in rekening en er werden geen loonheffingen of premies ingehouden. Zijn uurtarief lag aanzienlijk hoger dan zijn eerdere beloning als werknemer, hij beschikte over zakelijke verzekeringen, gebruikte eigen apparatuur en kon zich als ondernemer gedragen. Ook was er geen inhoudelijke beoordeling of periodieke evaluatie van zijn functioneren. Voor ex-werkgever telde vooral het resultaat. De werkzaamheden waren bovendien niet de kerntaak van ex-werkgever en werden niet door anderen binnen ex-werkgever verricht.

Ktr.: werknemer heeft klachtplicht geschonden met betrekking tot pensioengevend salaris (zaak 1) en functie-indeling (zaak 2)
In AR 2026-1273 oordeelt de kantonrechter dat werknemer te laat is met zijn vordering over pensioenafdracht. Werknemer (die sinds 2013 bij werkgeefster in dienst was) heeft pas op 24 april 2023 bij werkgeefster geklaagd over de berekening van zijn pensioengevend salaris. Volgens de kantonrechter had hij echter al veel eerder kunnen ontdekken dat werkgeefster alleen het basisloon als uitgangspunt nam. Werknemer ontving in de eerste jaren van zijn dienstverband jaarlijkse pensioenoverzichten waaruit hij dit had kunnen afleiden. Dat hij deze overzichten vanaf 2016 door een administratieve fout niet meer ontving, maakt dit niet anders. Hij wist dat hij recht had op deze overzichten en had bij werkgeefster naar het uitblijven daarvan kunnen informeren. Ook uit zijn loonstroken kon werknemer afleiden dat zijn pensioenpremie niet over zijn daadwerkelijk verdiende loon, inclusief de offshore-vergoeding, werd berekend. De werknemersbijdrage bleef immers nagenoeg gelijk, ook in perioden waarin hij vanwege offshore-werkzaamheden aanzienlijk meer verdiende. Werknemer had daarom al veel eerder kunnen constateren op welke grondslag zijn pensioen werd berekend. Het late klagen heeft werkgeefster bovendien in haar belangen geschaad. Bij een eventuele tekortkoming zou de pensioenopbouw over het gehele dienstverband moeten worden herberekend, inclusief het gemiste rendement. Indien werknemer eerder had geklaagd, had werkgeefster de gevolgen van een eventuele tekortkoming kunnen beperken.
In AR 2026-1268 oordeelt de rechter dat een chef-kok zijn klachtplicht heeft geschonden door niet eerder dan twee maanden na het einde van zijn dienstverband te klagen over zijn functie-indeling. Het is niet gebleken dat werknemer tijdens zijn dienstverband heeft geklaagd dat hij niet in functiegroep 8 is ingedeeld, terwijl hij vanaf het moment dat hij de arbeidsovereenkomst onder ogen kreeg de in de overeenkomst genoemde website (met functie-indelingen) al kon raadplegen. Ook bij een wijziging van zijn taken had werknemer zich ervan bewust kunnen zijn dat een hogere functiegroep wellicht passend zou zijn. Het is echter niet gebleken dat hij met zijn werkgeefster in gesprek is gegaan. Pas bij brief van zijn gemachtigde van ruim twee maanden na het einde van het dienstverband maakt werknemer bezwaar tegen de indeling en het daaraan gekoppelde loon. Door dit tijdsverloop van bijna twee jaar vanaf het moment dat werknemer bekend kon zijn met de vereisten voor functiegroep 8 en het moment waarop hij zijn bezwaar kenbaar heeft gemaakt, is werkgeefster in haar belangen geschaad; dat geldt niet alleen haar financiële belangen maar ook de bewijspositie ten aanzien van de toepasselijke functiegroep. Dat betekent dat als werknemer al in functiegroep 8 ingedeeld had moeten worden, wat op basis van de door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden niet vast is komen te staan, hij nu geen aanspraak meer kan maken op een nabetaling.

Hof: discussie over voorwaarden voortzetting arbeidsovereenkomst leidt niet tot overeenstemming en evenmin tot onrechtmatig niet voortzetten van de onderhandelingen
In AR 2026-1275 oordeelt het hof over de vraag of werkgever het contract met werknemer terecht niet heeft voortgezet. Werknemer stelt zich op het standpunt dat partijen overeenstemming hadden bereikt over de essentialia van de overeenkomst tot doorwerken na de AOW-leeftijd. Werkgever betwist dit omdat juist op essentiële onderdelen geen overeenstemming bestond (zoals in laten gaan van pensioen en hoogte loon). Dat werkgever onterecht de onderhandelingen zou hebben afgebroken, althans niet zou hebben voortgezet, is niet komen vast te staan.

Ktr.: Portugese bouwers zijn tijdelijk werkzaam in Nederland, Portugees recht blijft van toepassing
In AR 2026-1278 treffen we een van de twintig gepubliceerde zaken van Portugese bouwers die ontslagvergoedingen vorderen naar Nederlands recht. De kantonrechter oordeelt dat de stilzwijgende rechtskeuze volgt uit verwijzingen in de arbeidsovereenkomst naar Portugese wetartikelen en uit de keuze voor een Portugese contractsvorm. Artikelen van het Nederlandse recht die van toepassing zijn verklaard zien op bijzonder dwingend recht. Dat artikelen die verplicht van toepassing zijn expliciet van toepassing zijn verklaard, betekent niet dat partijen hebben gewild het Nederlandse recht op de gehele overeenkomst van toepassing te laten zijn. Het verrichten van werk in een ander land wordt als tijdelijk aangemerkt, als van de werknemer wordt verwacht dat hij na voltooiing van zijn taak in het buitenland opnieuw in het land van herkomst gaat werken. Hiervoor is niet vereist dat werknemer dat werk voor dezelfde CCE (de Portugese werkgever die werknemers heeft gedetacheerd) gaat verrichten. Ook werkzaamheden voorafgaand aan en ná de werkzaamheden in Nederland bij andere werkgevers in Portugal kan meebrengen dat het werk in Nederland tijdelijk was. Uit de arbeidsovereenkomst volgt dat het de bedoeling was van partijen dat werknemer na afloop van de detachering zou terugkeren naar zijn land van herkomst om daar zijn activiteiten te hervatten. Partijen hebben ook gehandeld overeenkomstig deze bedoeling. Gedurende de looptijd van de arbeidsovereenkomst is werknemer fiscaal inwoner van Portugal gebleven, CCE heeft een ‘home-leave’ vergoeding betaald, CCE heeft een PD U1-verklaring aangevraagd bij het UWV en na terugkeer in Portugal heeft  werknemer in Portugal  een WW-uitkering aangevraagd. CCE heeft een melding tijdelijke tewerkstelling gemaakt. Portugal dient als het gewone werkland te worden aangemerkt, de werkzaamheden waren tijdelijk van aard. Er zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die meebrengen dat de arbeidsovereenkomst desondanks een nauwere band heeft met Nederland. Het Portugese recht was het objectief toepasselijke recht. Werknemer geniet daardoor niet de bescherming van in het Nederlandse recht neergelegde dwingende regels. Dit betekent dat ook de bepalingen over de met het einde van een arbeidsovereenkomst samenhangende vergoedingen niet van toepassing zijn. Het verzoek tot betaling van de transitievergoeding en een billijke vergoeding wordt daarom afgewezen. CCE heeft erkend dat werknemer recht heeft op een vergoeding naar Portugees recht van € 3.707,51 bruto welke vergoeding wordt toegewezen. Artikel 7:626 BW is op grond van artikel 2 WagwEU op de arbeidsovereenkomst van toepassing. Op grond van dit artikel moeten bedragen die op het loon worden ingehouden, op de loonstrook worden gespecificeerd. Nu niet is gebleken met welke reden er bedragen op het loon zijn ingehouden en of er voor dat specifieke geval een volmacht tot inhouding is verleend, gaat de kantonrechter ervan uit dat de inhoudingen onrechtmatig zijn gedaan.

Inzenden eigen rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij ingezonden rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u zelf over een nog niet gepubliceerde uitspraak die relevant is voor de arbeidsrechtpraktijk en rechtsontwikkeling, klik dan hier om de geanonimiseerde uitspraak in te zenden.

Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar klantenservice@boom.nl.

Rest ons nog u een bijzonder fijne dag toe te wensen.

Met vriendelijke groet,

Prof. mr. A.R. (Ruben) Houweling en mr. drs. T.J. (Theo) Post (hoofdredactie)

Hof

Rechtbank