Naar boven ↑

Update

Nummer 11, 2026
Uitspraken van 12 maart 2026 tot 18 maart 2026
Redactie: prof. mr. dr. A.R. Houweling, mr. L. Kirkpatrick, mr. M. Assenberg van Eijsden, mr. R. van Hemert, mr. P.H. de Jongh, mr. C.P. Kuijer, mr. drs. T.J. Post, I.J. Schipper, mr. S.A. Slootweg, mr. V. Twilt, mr. R.R.T. van de Ven en mr. S. Wiersma-Helal.

Geachte heer/mevrouw,

Bijgaand treft u weer een nieuwe AR Update aan.

Rechtspraak
Graag wijzen wij u op de volgende uitspraken.

HvJ EU: direct onderscheid tussen twee groepen gehandicapten
In AR 2026-0398 oordeelt het Hof van Justitie EU negatief over de vraag of het niet-verlenen van voorrang aan gehandicapten bij een mobiliteitsregeling een indirecte vorm van discriminatie oplevert. Wel stelt het Hof vast dat voor twee categorieën gehandicapten wel een voorrangsregel was bepaald om op vacatures te reflecteren. Het Hof brengt in herinnering dat er in dat geval direct onderscheid wordt gemaakt op het soort handicap binnen de groep gehandicapten.

HR: werknemer dient voorafgaand aan zitting in staat te worden gesteld tot adequate kennisneming van videobeelden die bewijs van dringende reden kunnen opleveren
In AR 2026-0397 oordeelt de Hoge Raad over de vraag of artikel 6 EVRM is geschonden doordat werknemer voorafgaand aan de zitting onvoldoende toegang had tot videobeelden waaruit de dringende reden mede zou blijken. De Hoge Raad oordeelt dat het hof ermee bekend was dat (de advocaat van) de werknemer de door werkgever overgelegde camerabeelden wegens technische redenen niet voorafgaand aan de mondelinge behandeling had kunnen bekijken (de beelden konden alleen met een speciaal programma worden afgespeeld), terwijl hij kenbaar had gemaakt dat wel te willen. Teneinde de beginselen van hoor en wederhoor (art. 19 lid 1 Rv en art. 6 EVRM) en equality of arms (art. 6 EVRM) te waarborgen had het hof – dat zijn oordeel over het ontslag op staande voet mede op de tijdens de mondelinge behandeling getoonde camerabeelden heeft gebaseerd – genoegzame maatregelen moeten treffen om adequate kennisneming van de volledige door werkgever overgelegde, en door het hof voorafgaand aan de zitting bekeken, camerabeelden door de werknemer mogelijk te maken en de werknemer in staat te stellen zich daarover uit te laten.

Hof: verplichte deelneming aan de pensioenregeling van VLEP geen bijzonder dwingend recht (art. 9 Rome I)
In AR 2026-0416 oordeelt het hof na verwijzing Hoge Raad (AR 2023-0770) over de vraag of Presta Meat gehouden was aan te sluiten bij de pensioenregeling VLEP omdat zij vanuit Luxemburg werknemers in de vleesindustrie te werk stelde. Het hof is van oordeel dat van een voorrangsregel in de zin van artikel 9 Rome I geen sprake is. Het is juist dat de verplichte deelneming aan een bedrijfstakpensioenfonds in de Nederlandse arbeidsverhoudingen van groot belang en van grote betekenis is, maar daarmee is de Wet Bpf 2000 in verbinding met het Verplichtstellingsbesluit nog geen voorrangsregel. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het hof bij de toepassing van artikel 8 Rome I heeft miskend en ten onrechte niet heeft onderzocht of het beschermingsniveau waarin de Nederlandse regels van dwingend arbeidsrecht voorzien hoger ligt dan de regels van het door de partijen gekozen Luxemburgse arbeidsrecht. Het verwijzingshof overweegt dat de jaarlijkse opbouw aan pensioenaanspraken voor de werknemers hoger is onder de Luxemburgse pensioenregeling dan onder VLEP. De pensioenpremie in Luxemburg bedraagt 24%, terwijl op grond van de beschikbare gegevens aannemelijk is dat de pensioenpremie van VLEP in de jaren waarom het gaat ergens tussen de 19 en 26% zat. Het belangrijkste verschil tussen beide stelsels is dat in Luxemburg premie wordt betaald over het volledige brutoloon, terwijl in Nederland premie wordt betaald over het pensioengevend loon minus de franchise. Gelet op het loon dat de werknemers ontvangen, moet er rekening mee worden gehouden dat er bij VLEP slechts aanspraken worden opgebouwd over ruwweg de helft van het brutoloon. Kortom, het is het hof niet gebleken dat het beschermingsniveau waarin de Nederlandse pensioenregels voorzien voor de werknemers hoger ligt dan dat van het door de partijen gekozen Luxemburgse recht.

Ktr.: mogelijk meer beschermend dwingend Litouws recht kan vanwege ongerijmde uitkomst niet aan toewijzing vordering werknemer in de weg staan
In AR 2026-0413 oordeelt de kantonrechter over de vraag of het objectief dwingende recht van Litouwen aan toewijzing van de loonvordering van werknemer in de weg moet staan. De kantonrechter meent dat dit niet het geval is. Bij dit oordeel is ten eerste doorslaggevend geweest dat de vordering van werknemer volledig wordt toegewezen. Daarnaast geldt dat het ongerijmd zou zijn dat werknemer zou worden geconfronteerd met een afwijzing van zijn vordering op de enkele grond dat hij mogelijk meer bescherming zou kunnen ontlenen aan enkele bepalingen uit het Litouwse recht. Naar het oordeel van de kantonrechter kan dat niet de bedoeling zijn. Voorts oordeelt de kantonrechter dat werknemer de vrachtwagen als retentierecht onder zich mocht houden totdat zijn loonvordering was voldaan.

Ktr.: werkgever mag werknemer fysiek op spreekuur in Nederland verlangen, na ziekmelding vanuit Portugal na overlijden hond. Second opinion werknemer schort zijn re-integratieplicht niet op
In AR 2026-0402 oordeelt de kantonrechter dat een werkgever – na advies van de bedrijfsarts – mag verlangen dat werknemer fysiek op het spreekuur komt. Werknemer was kort na indiensttreding naar Portugal afgereisd voor een noodgeval (stervende hond). Daarna meldde werknemer zich ziek. De verklaringen van de Portugese arts noch de afgewezen aanvragen voor een second opinion en het oordeel van de UWV-verzekeringsarts staan aan het redelijke voorschrift om fysiek te verschijnen in de weg. De werkgever heeft terecht het loon ‘gestopt’.

Ktr.: G-grond is niet bedoeld om onvoldragen d-grond te repareren
In AR 2026-0396 werd het ontbindingsverzoek gestoeld op de d-grond afgewezen. De kantonrechter stelt vast dat werkgeefster van alles over het functioneren van werknemer heeft gesteld, maar dat zij daarbij is blijven steken in algemeenheden en dat een schriftelijke onderbouwing (zoals beoordelingsverslagen) ontbreekt. Het gaat volgens de kantonrechter dan niet aan om op basis van diezelfde feiten en omstandigheden ontbinding op de g-grond te verzoeken. De g-grond is er immers niet voor bedoeld een onvoldragen d-grond te repareren. Het enkele feit dat werkgeefster kritiek op het functioneren heeft geuit waarin werknemer zich niet (volledig) herkent, is onvoldoende om tot een (onherstelbaar) verstoorde arbeidsverhouding te concluderen. Werkgeefster verwijt werknemer dat hij niet openstond voor inhoudelijk overleg en geen zelfreflectie heeft getoond, maar gaat er daarbij aan voorbij dat zij zelf meteen de deur heeft dichtgegooid en is gaan aansturen op een beëindigingsregeling.

Inzenden eigen rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij ingezonden rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u zelf over een nog niet gepubliceerde uitspraak die relevant is voor de arbeidsrechtpraktijk en rechtsontwikkeling, klik dan hier om de geanonimiseerde uitspraak in te zenden.

Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar klantenservice@boom.nl.

Rest ons nog u een bijzonder fijne dag toe te wensen.

Met vriendelijke groet,

Prof. mr. A.R. (Ruben) Houweling en mr. L. (Linde) Kirkpatrick (hoofdredactie)

Hof van Justitie van de Europese Unie

Hoge Raad

Hof

Rechtbank