Naar boven ↑

Update

Nummer 10, 2026
Uitspraken van 5 maart 2026 tot 11 maart 2026
Redactie: prof. mr. dr. A.R. Houweling, mr. L. Kirkpatrick, mr. M. Assenberg van Eijsden, mr. R. van Hemert, mr. P.H. de Jongh, mr. C.P. Kuijer, mr. drs. T.J. Post, I.J. Schipper, mr. S.A. Slootweg, mr. V. Twilt, mr. R.R.T. van de Ven en mr. S. Wiersma-Helal.

Geachte heer/mevrouw,

Bijgaand treft u weer een nieuwe AR Update aan.

Rechtspraak
Graag wijzen wij u op de volgende uitspraken.

HvJ EU: geen verboden onderscheid op grond van leeftijd door werkervaring voor 18e levensjaar maar gedeeltelijk mee te laten wegen
In AR 2026-0365 oordeelt het Hof van Justitie EU over een herstelregeling waarmee werkgerelateerde anciënniteit voor het 18e levensjaar gedeeltelijk werd toegerekend voor de vaststelling van de ‘referentiepeildatum’. Het feit dat ‘andere tijdvakken’ slechts voor de helft en tot een maximum van drie jaar in aanmerking worden genomen, kan op zich geen discriminatie op grond van leeftijd vormen. Het gaat daarbij immers om de bij andere ondernemingen verworven ervaring die niet in aanmerking wordt genomen, los van de leeftijd waarop die is verworven of waarop de betrokken werknemer is aangesteld (HvJ EU 14 maart 2018, C-482/16, ECLI:EU:C:2018:180 (Stollwitzer)).

Rb.: artikelen 8 en 8a Waadi niet van toepassing bij uitlening aan internationale, intergouvernementele organisatie wegens ontbreken van ‘onderneming’ in de zin van artikel 1 sub e Waadi jo. artikel 1 lid 1 sub c Wet op de Ondernemingsraden (WOR)
In AR 2026-0351 en AR 2026-0350 staat de vraag centraal of uitlening aan intergouvernementele organisaties tot inlenersbeloning op grond van de Waadi leidt. De rechter oordeelt van niet. In 1995 is in artikel 1 lid 1 sub c WOR tussen de woorden ‘arbeidsovereenkomst’ en ‘arbeid’ ingevoegd: of krachtens publiekrechtelijke aanstelling (Stb. 1995, 231). Deze toevoeging strekt ertoe om (ook) de medezeggenschap van nagenoeg het hele overheidspersoneel onder het regiem van de WOR te brengen. De toevoeging krachtens publiekrechtelijke aanstelling heeft tot gevolg dat een organisatorisch samenwerkingsverband, zoals een ministerie, een gemeente, een provincie en een waterschap als een ‘onderneming’ in de zin van de WOR kunnen worden aangemerkt waarvoor een ondernemingsraad kan worden ingesteld. Dit geldt ook voor andere samenwerkingsverbanden bij de overheid die zich naar buiten als een zelfstandige eenheid presenteren, zoals bijvoorbeeld het directoraat-generaal Rijkswaterstaat, de Dienst Uitvoering Ontslaguitkeringen, een gemeentelijke sociale dienst en een dienst gemeentewerken (Kamerstukken II 1993/94, 23551, nr. 3 (MvT) (herdruk), p. 1-3). Uit het bovenstaande volgt dat de publiekrechtelijke aanstelling in de zin van artikel 1 lid 1 sub c WOR betrekking heeft op ambtenaren die voor de Nederlandse overheid arbeid verrichten. Dat het hierbij om de Nederlandse overheid gaat, vindt ook bevestiging in de Ambtenarenwet 1929, zoals die ten tijde van de wijziging van artikel 1 lid 1 sub c WOR van toepassing was. Organisatie A betreft geen Nederlands overheidsorgaan, zodat organisatie A-ambtenaren hun arbeid niet verrichten krachtens publiekrechtelijke aanstelling in de zin van artikel 1 lid 1 sub c WOR. 

Ktr.: algemene verwijzing naar ‘de uit de arbeidsovereenkomst van 16 augustus 1993 voortvloeiende voorwaarden en verplichtingen’ onvoldoende voor rechtsgeldig overeenkomen concurrentiebeding in nieuwe functie
In AR 2026-0364 oordeelt de kantonrechter over de vraag of het herbevestigen van arbeidsvoorwaarden uit 1993 bij een wijziging van contractsomvang (van 40 naar 36 uur) ook het concurrentiebeding doet herleven na een ‘zwaarder drukken’-situatie. Werknemer was namelijk van monteur opgeklommen tot projectleider per 1 januari 2013. Toen men in 2024 afspraken maakte over de contractsomvang werden de afspraken van 1993 ‘herbevestigd’. Volgens werkgever impliceert dit ook het opnieuw rechtsgeldig overeenkomen van het concurrentiebeding. De kantonrechter oordeelt dat dit niet het geval is. Er is geen aandacht besteed aan het feit dat werknemer (al sinds 2013) werkzaam was in de – zoals hiervoor is vastgesteld – wezenlijk andere functie van projectleider. Het enkele gebruik van de woorden ‘huidige functie’ maakt dat niet anders, gezien de uitdrukkelijke verwijzing naar de op 16 augustus 1993 gesloten arbeidsovereenkomst. De brief van 5 januari 2024 kan dan ook niet worden gezien als het (alsnog) overeenkomen van het concurrentiebeding voor de functie van projectleider.

Ktr.: werknemer heeft geen recht op loondoorbetaling tijdens ziekte nu hij door intrekking van zijn beveiligingstoestemming door de korpschef niet meer mag werken
In AR 2026-0345 oordeelt de kantonrechter over de samenloop van ziekte en niet in staat zijn arbeid te verrichten. In beginsel heeft een werknemer tijdens ziekte recht op loondoorbetaling. Op 9 september 2025 heeft de korpschef echter de toestemming voor werknemer om werkzaamheden te verrichten voor Workrate ingetrokken op grond van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus. Zonder deze toestemming mag Workrate werknemer niet laten werken, ook niet in een andere functie binnen het bedrijf. De kantonrechter overweegt dat hier twee wettelijke regels samenlopen: het recht op loondoorbetaling tijdens ziekte en de regel dat geen loon verschuldigd is wanneer de oorzaak van het niet kunnen werken voor rekening van de werknemer komt. Voor de beoordeling is bepalend wat de primaire oorzaak van de verhindering om te werken is. De kantonrechter oordeelt dat in dit geval de primaire oorzaak is gelegen in de intrekking van de toestemming door de korpschef en niet in de ziekte van werknemer. Daarbij is van belang dat het voornemen tot intrekking al op 18 juli 2025 aan partijen was meegedeeld, dus vóór de ziekmelding van werknemer op 12 augustus 2025.

Ktr.: doorlopende arbeidsongeschiktheid kan niet worden afgeleid uit ‘algemeen en vaag advies bedrijfsarts’
In AR 2026-0360 oordeelt de kantonrechter over de vraag of een nieuwe 629-periode is aangevangen. Uitgangspunt bij ziekte is dat het in beginsel de werknemer is die bepaalt of hij al dan niet (meer) arbeidsongeschikt is. Vervolgens is het aan de werkgever om, na daartoe ingewonnen advies van een bedrijfsarts, te beoordelen of hij een ziek- of hersteldmelding al dan niet accepteert. Is de werkgever het met het standpunt van de werknemer, ingeval dat wordt ondersteund door de bedrijfsarts, niet eens dan ligt het op de weg van de werkgever om een deskundigenoordeel bij het UWV te vragen. Dit laatste heeft werkgever niet gedaan. Anders dan werkgever ziet de kantonrechter in de bewoordingen van het advies van de bedrijfsarts van 28 oktober 2025 onvoldoende basis om binnen het bestek van dit kort geding aan te nemen dat er vanaf 30 mei 2023 sprake is van doorlopende arbeidsongeschiktheid van werkneemster. De constatering in bedoeld rapport dat haar medische beperkingen al sinds jaren een rol spelen en zeker sinds begin van dit jaar de verklaring zijn voor haar verminderde functioneren, zijn daartoe te vaag en algemeen. Bij deze stand van zaken kan niet worden aangenomen dat werkneemster zonder deugdelijke grond nalaat een WIA-aanvraag te doen. De loonstop die werkgever heeft doorgevoerd is daarom onterecht. 

Inzenden eigen rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij ingezonden rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u zelf over een nog niet gepubliceerde uitspraak die relevant is voor de arbeidsrechtpraktijk en rechtsontwikkeling, klik dan hier om de geanonimiseerde uitspraak in te zenden.

Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar klantenservice@boom.nl.

Rest ons nog u een bijzonder fijne dag toe te wensen.

Met vriendelijke groet,

Prof. mr. A.R. (Ruben) Houweling en mr. L. (Linde) Kirkpatrick (hoofdredactie)

Hof van Justitie van de Europese Unie

Hof

Rechtbank