Naar boven ↑

Update

Number 08, 2020
Uitspraken van 19 februari 2020 tot 24 februari 2020
Redactie: prof. mr. dr. A.R. Houweling, mr. L. Kirkpatrick, mr. M. Assenberg van Eijsden, mr. M.S.J. Keij, mr. drs. I. Lintsen, mr. A. van der Pol, mr. S. Said en mr. S. Wiersma-Helal.

Rechtspraak
Graag wijzen wij u op de volgende uitspraken.

I-grond: de eerste cumulatiegrondbeschikking…
…leidt tot een afwijzing. In een zaak waarin de werkgever werknemer op de d-, e-, g- en i-grond trachtte te ontslaan, ving hij bod. Verwijtbaar gedrag (sabotage van werk) was onvoldoende komen vast te staan. Disfunctioneren, als al aangenomen, was onvoldoende besproken en getracht te verbeteren (Ecofys). De eenzijdig ervaren verstoring van de arbeidsverhouding rustte dusdanig op de niet bewezen d- en e-grond, dat ook de g-grond onvoldragen werd geoordeeld. Tot besluit de i-grond.
De kantonrechter (AR 2020-0225) overwoog dat met de cumulatiegrond wordt beoogd het ontslagstelsel te verruimen, zonder te breken met het huidige stelsel van gesloten ontslaggronden (Kamerstukken II 2018/19, 35074, nr. 9, p. 59). De werkgever in kwestie had nagelaten deze ontslaggrond afzonderlijk toe te lichten en ‘het is niet aan de kantonrechter om – wanneer iedere toelichting ontbreekt – de omstandigheden die zijn aangevoerd in het kader van de afzonderlijke ontslaggronden in het kader van de i-grond te verzamelen en zelfstandig te beoordelen of dat voldoende is voor een voldragen i-grond’. Daar kwam nog bij dat de kantonrechter had geoordeeld dat geen van de aan het verzoek ten grondslag gelegde afzonderlijke ontslaggronden voldragen was. Van een bijna voldragen ontslaggrond was evenmin sprake. Om die reden was er dan ook geen grond voor het oordeel dat niet meer van werkgever kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst voort te zetten.

HR: geen partiële ontbinding, wel gedeeltelijke beëindiging(splicht) op grond van (onder andere) Stoof/Mammoet
In AR 2020-0216 oordeelt de Hoge Raad dat de wettelijke regeling van artikel 7:671b BW zich verzet tegen partiële ontbinding van de arbeidsovereenkomst (art. 7:686 BW zou wel tot partiële ontbinding kunnen leiden). Wel is volgens de Hoge Raad – onder verwijzing naar Kolom – gedeeltelijke beëindiging mogelijk, onder meer door wijziging van de arbeidsomvang. Onder omstandigheden kan een werkgever zelfs gehouden zijn op grond van het goed werkgeverschap aan een gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst mee te werken. Dit kan bij tegenverzoek door een werknemer in een ontbindingsprocedure worden verzocht, met als resultaat dat een aanvankelijk voldragen grond door invulling te geven aan de gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsverhouding, alsnog tot onvoldragen grond kan leiden. Afhankelijk van de gekozen wijzigings/beëindigingsroute is bovendien een transitievergoeding verschuldigd.

HR: beoordeling van ontbindingsverzoek in hoger beroep ‘ex tunc’ of ‘ex nunc’?
In AR 2020-0222 oordeelt de Hoge Raad over de vraag hoe een ontbindingsprocedure in hoger beroep moet worden beoordeeld, ex tunc of ex nunc? De Hoge Raad maakt een onderscheid in een procedure waarbij in eerste aanleg de arbeidsovereenkomst is ontbonden en die waarin de arbeidsovereenkomst in stand is gebleven.
Is de arbeidsovereenkomst in eerst instantie ontbonden, dan dient in hoger beroep ‘ex tunc’ te worden beoordeeld. Uiteraard brengt de herstelfunctie van hoger beroep met zich dat meer feiten en omstandigheden ingebracht mogen worden, mits deze feiten en omstandigheden zich niet later dan eerste aanleg hebben voorgedaan.
Wordt in hoger beroep geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst moet worden hersteld of een billijke vergoeding toegekend, dan vindt deze waardering plaats ‘ex nunc’. Een eventueel ‘verwijtbaar handelen’ in verband met de (on)verschuldigdheid van de transitievergoeding kan daarentegen enkel betrekking hebben op feiten en omstandigheden ten tijde van de ontbinding.
Is de arbeidsovereenkomst in eerste instantie niet ontbonden, dan vindt conform het uitgangspunt in het civiele recht een toetsing ‘ex nunc’ plaats (vergelijk ook AR 2020-0216).

HR: vierde schakel via uitzendbureau (payroller) om ketenregeling te ontduiken, niet toegestaan
In AR 2020-0223 oordeelt de Hoge Raad dat indien een werkgever bij het aangaan van een vierde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gebruikmaakt van een uitzendbureau-payrollbedrijf, in strijd wordt gehandeld met artikel 7:668a BW. De kennelijke bedoeling van deze constructie is om de gevolgen van de ketenregeling, een vaste arbeidsovereenkomst, te omzeilen. Derhalve is in feite gewoon sprake van een vierde arbeidsovereenkomst tussen dezelfde partijen en derhalve een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

Geen Xella-vergoeding bij einde wachttijd voor 1 juli 2015
In AR 2020-0209 en AR 2020-0226 oordelen de rechters over de vraag wanneer de Xella-verplichting werkgevers dwingt mee te werken aan een beëindiging of vergoeding bij slapende dienstverbanden, indien de wachttijd voor 1 juli 2015 is geëindigd. Beide rechters oordelen dat in zo’n situatie geen Xella-verplichting ontstaat. Zie anders: AR 2020-0055.

AR Poll
92% is het eens met de stelling: ‘Werkgever is verantwoordelijk voor structureel overwerk werknemer ook als dit aan werknemer zelf te wijten is.’
De nieuwe stelling luidt: ‘Een verzoek van de werknemer tot gedeeltelijke beëindiging met behoud van transitievergoeding, past niet in het wettelijk stelsel.’ Breng hier uw stem uit.

Inzenden eigen rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij ingezonden rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u zelf over een nog niet gepubliceerde uitspraak die relevant is voor de arbeidsrechtpraktijk en rechtsontwikkeling, klik dan hier om de geanonimiseerde uitspraak in te zenden.

Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar ar-updates@budh.nl.

Rest ons nog u een bijzonder fijne dag toe te wensen.

Met vriendelijke groet,

Prof. mr. A.R. (Ruben) Houweling en mr. L. (Linde) Kirkpatrick (hoofdredactie)
Mr. I. (Imke) Lintsen

Hoge Raad

Hof

Rechtbank

Centrale Raad van Beroep