Naar boven ↑

Rechtspraak

B&T Metaaltechniek B.V./werknemer
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Nijmegen ), 19 juni 2020
ECLI:NL:GHARL:2020:4695
Het hof is van oordeel dat sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding aangezien zich na indiensttreding van twee nieuwe werknemers herhaaldelijk conflicten hebben voorgedaan tussen hen en werknemer en er spanningen op de werkvloer zijn ontstaan.

Feiten

B&T Metaaltechniek B.V. (hierna: B&T) is een kleine onderneming in de metaalbranche met acht werknemers. De directie bestaat uit de heren B en C. Werknemer is vanaf 1 oktober 2011 werkzaam bij B&T als CNC-draaier. In 2017 zijn twee nieuwe werknemers in dienst getreden bij B&T, te weten D en E. Tussen werknemer en genoemde werknemers ontstonden fricties. Omstreeks april 2018 heeft B&T bureau CO3 Consultancy ingeschakeld om haar te helpen het productieproces te verbeteren en haar medewerkers efficiënter in te zetten. In juli 2018 heeft de heer B met begeleiding van CO3 gesprekken gevoerd met alle werknemers. De in die gesprekken gemaakte afspraken zijn vastgelegd. Werknemer is op 11 juli 2019 door B&T op non-actief gesteld vanwege een incident met een machine. Werknemer is op 25 september 2019 arbeidsongeschikt geworden en die arbeidsongeschiktheid duurt nog voort. Werknemer heeft in deze procedure geluidsfragmenten overgelegd van gesprekken die hij met diverse mensen heeft gevoerd in augustus 2018 en juli 2019. Hij heeft zijn gesprekspartners niet gemeld dat hij de gesprekken opnam. B&T heeft de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden. De kantonrechter heeft geoordeeld dat sprake is van een enigszins verstoorde arbeidsverhouding, maar dat deze geen ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt. B&T heeft verzocht dat het hof de arbeidsovereenkomst zal ontbinden wegens onder meer een verstoorde arbeidsrelatie met toekenning van een transitievergoeding. Werknemer heeft verweer gevoerd en primair verzocht het hoger beroep ongegrond te verklaren. Subsidiair heeft werknemer verzocht om toekenning van een transitievergoeding en een billijke vergoeding.

Oordeel

Het hof stelt vast dat, zoals werknemer ook erkent, na de indiensttreding van D en E zich herhaaldelijk conflicten hebben voorgedaan en dat er spanningen op de werkvloer zijn ontstaan. De samenwerking tussen de beide meewerkend voormannen (werknemer en D) was slecht en werknemer ervoer dat E, die bij hem op de afdeling werkte, zijn gezag niet accepteerde. Duidelijk is dat de relatie tussen werknemer en deze werknemers, ook in de visie van werknemer, ernstig verstoord was. Werknemer verwijt de directie dat niet adequaat werd ingegrepen. Uit de door werknemer overgelegde bandopname blijkt dat hij dit ook kenbaar maakte en dat hij zijn ongenoegen uitte over de ontstane situatie. De begeleidende gesprekken door CO3 met de diverse partijen hebben niet tot verbetering van de verhoudingen geleid. Ook na de uitspraak van de kantonrechter zijn nog twee mediationgesprekken gevoerd, die niet tot een oplossing hebben geleid. B&T maakt werknemer ernstige verwijten over zijn houding en gedrag en over sabotage van een machine. Werknemer op zijn beurt maakt B&T verwijten over (gebrek aan) leiderschap door de directie en heeft (al in 2018) achter de rug van zijn gesprekspartners om gesprekken opgenomen. Het hof is van oordeel dat sprake is van een ernstige en duurzame verstoring van de arbeidsverhoudingen tussen partijen, op grond waarvan van B&T niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daarnaast heeft werknemer zich weliswaar te dwingend opgesteld en heeft hij een aantal malen gesprekken opgenomen zonder zijn gesprekspartners daarover te informeren, maar het hof kwalificeert zijn handelwijze niet als ernstig verwijtbaar. Werknemer heeft dus aanspraak op de transitievergoeding. Van ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van M&T is ook in dit opzicht geen sprake. Het verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding wordt dan ook afgewezen.