Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/MKP Parts B.V.
Rechtbank Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 30 maart 2020
ECLI:NL:RBDHA:2020:3861
Uit de opzegbrief blijkt expliciet dat de laatste dag van de overeenkomst 30 november 2019 is. Het verzoek tot vernietiging van de opzegging is (pas) 31 januari 2020 ontvangen en dus één dag te laat. Werkneemster is niet-ontvankelijk in haar verzoek.

Feiten

Werkneemster en X (indirect bestuurders van MKP) hebben tussen 1997 en 2019 een affectieve relatie gehad. Tussen werkneemster en MKP is een overeenkomst gesloten, met als titel ‘arbeidsovereenkomst’. Vanaf 1 oktober 2006 is maandelijks een bedrag aan werkneemster betaald. Op 20 maart 2014 schrijft de accountant aan de Belastingdienst dat werkneemster in dienst is gekomen en partner is van X en MKP van mening is dat werkneemster verzekeringsplicht is. De Belastingdienst heeft dit per brief d.d. 26 mei 2014 bevestigd. Werkneemster is sinds 30 mei 2018 statutair bestuurder van KF-Fashion, van welke vennootschap MKP enig aandeelhouder is. Op 18 februari 2019 hebben werkneemster en X een financieel voorstel ondertekend in het kader van de beëindiging van hun affectieve relatie. X heeft de overeenkomst bij brief van 20 september 2019 vernietigd wegens dwaling en daarbij onder meer het standpunt ingenomen dat er geen arbeidsovereenkomst tot stand was gekomen. Per e-mail d.d. 1 november aan werkneemster heeft MKP de (arbeids)overeenkomst opgezegd. Werkneemster heeft er bezwaar tegen gemaakt. Bij aandeelhoudersbesluit van 17 februari 2020 is werkneemster ontslagen als statutair bestuurder van KF-Fashion. Werkneemster verzoekt de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen en betaling van loon.

Oordeel

De overeenkomst heeft als titel ‘Arbeidsovereenkomst’ en bevat de essentialia van een arbeidsovereenkomst. De overeenkomst levert dwingend bewijs op en het is aan MKP om tegenbewijs te leveren. Hiertoe heeft MKP verklaringen overgelegd van werknemers waarin is opgenomen dat zij werkneemster nooit hebben zien werken voor MKP. Aan deze verklaringen kent de kantonrechter evenwel geen gewicht toe, gelet op de door werkneemster in geding gebrachte (werkinhoudelijke) e-mail- en Whatsapp-berichten. Verder heeft MKP geen tegenbewijs aangeboden. De kantonrechter is van oordeel dat partijen hebben bedoeld een arbeidsovereenkomst te sluiten en dat deze tot stand is gekomen per 1 oktober 2006.

Ontvankelijkheid

Werkneemster stelt zich op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst eindigde op 1 december 2019, zodat zij uiterlijk 1 februari 2020 een verzoek kon indienen. MKP stelt dat de laatste dag van het dienstverband 30 november 2019 is en het verzoek uiterlijk 30 januari 2020 had moeten worden ingediend. Het verweer van MKP slaagt. Uit de tekst van de opzegging blijkt dat de laatste dag van de overeenkomst 30 november 2019 is, dus van onduidelijkheid is geen sprake. Nu het verzoekschrift 31 januari 2020 is ontvangen, dient werkneemster niet-ontvankelijk te worden verklaard en de opzegging blijft in stand. Het subsidiaire standpunt, dat de opzegging geldt per latere datum, omdat de opzegging een onzekere einddatum zou noemen, namelijk ‘althans op kortst mogelijke termijn’, treft ook geen doel. Het was werkneemster duidelijk dat MKP niet van het bestaan van een arbeidsovereenkomst uitging en zij mocht ook niet verwachten dat MKP een opzegtermijn heeft bedoeld.

Loonvordering

Partijen zijn verdeeld over de vraag of MKP over de maanden oktober en november 2019 nog salaris verschuldigd is. MKP stelt dat zij kosten heeft verrekend. Werkneemster heeft erkend dat zij enkele bedragen ten onrechte heeft gedeclareerd, voor het overige heeft zij gemotiveerd weersproken dat door haar niet-zakelijke kosten zijn gedeclareerd. MKP heeft vervolgens niet, althans onvoldoende toegelicht waarom de gedeclareerde kosten desondanks niet zakelijk zijn dan wel waarom deze voor rekening van werkneemster zouden moeten komen. De loonvordering wordt toegewezen. Eveneens wordt de transitievergoeding toegewezen.