Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgeefster/werknemer
Rechtbank Rotterdam (Locatie Dordrecht), 5 maart 2020
ECLI:NL:RBROT:2020:2247

Werkgeefster heeft op geen enkele wijze kenbaar gemaakt dat werknemer zich van concurrerende activiteiten diende te onthouden. Gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat werkgeefster geen beroep zou doen op non-concurrentiebeding en nevenwerkzaamhedenbeding.

Feiten

Werknemer is tot en met 18 september 2016 bij werkgeefster in dienst geweest als allround interieurbouwer/semi-assistent werkvoorbereider. Tussen partijen bestond een schriftelijke arbeidsovereenkomst. Deze overeenkomst bevatte zowel een verbod op het verrichten van nevenwerkzaamheden als een concurrentiebeding. Werknemer heeft de arbeidsovereenkomst met werkgeefster opgezegd per 18 september 2016. Hij is een onderneming gestart die zich, net als werkgeefster, bezighoudt met interieurbouw in het luxe segment. Werkgeefster vordert onder meer dat werknemer zal worden veroordeeld tot betaling van een contractuele boete wegens schending van het verbod op nevenwerkzaamheden en het non-concurrentiebeding.

Oordeel

Voor deze zaak is van belang dat partijen het erover eens zijn dat werknemer een onderneming in dezelfde branche is gestart als die waarin werkgeefster werkzaam is. Dat betekent dat werknemer een concurrerende onderneming is gestart. Werknemer heeft als subsidiaire verweer aangevoerd dat sprake is van rechtsverwerking. Voor de vraag of een schuldeiser zijn rechten heeft verwerkt geldt als uitgangspunt dat daarvan slechts sprake is wanneer de schuldeiser zich heeft gedragen op een manier die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van het betrokken recht. De kantonrechter is van oordeel dat het beroep op rechtsverwerking slaagt om de volgende redenen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de heer X namens werkgeefster desgevraagd bevestigd dat werknemer hem al gedurende het dienstverband heeft verteld dat hij een eigen onderneming wilde starten in de interieurbouw. Werkgeefster heeft ook verklaard dat zij al vrij snel daarna de website van werknemer heeft bekeken en constateerde dat hij in hetzelfde segment werkzaam was. Verder heeft werkgeefster zo’n anderhalf jaar na ontslagname het bedrijf van werknemer nog bezocht. Ook heeft hij werkgeefster in die periode benaderd voor een klus en hebben zij een project van twee naast elkaar gelegen woningen uitgevoerd. Door vervolgens gedurende een periode van ongeveer drie jaar op geen enkele wijze kenbaar te maken dat werknemer zich van dergelijke activiteiten diende te onthouden, is bij werknemer het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat werkgeefster geen beroep (meer) zou doen op de betreffende afspraken uit de arbeidsovereenkomst. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan de vraag of werknemer de bedingen uit de arbeidsovereenkomst ook daadwerkelijk heeft overtreden in het midden blijven, omdat dit niet leidt tot een andere uitkomst. Zijn vorderingen tot betaling van boetes worden dan ook afgewezen. Werkgeefster heeft ook een verklaring voor recht gevorderd. Volgens werkgeefster heeft werknemer onrechtmatig jegens haar gehandeld door onrechtmatig te concurreren. Werkgeefster voert ter onderbouwing van haar vordering aan dat werknemer klanten en leveranciers van haar heeft benaderd en na actieve benadering werknemers van haar heeft overgenomen. De feiten die zij thans stelt ter onderbouwing van deze vordering zijn niet alleen door werknemer gemotiveerd betwist, maar ook onvoldoende om, indien bewezen, de conclusie te rechtvaardigen dat sprake is van een substantiële en duurzame afbreuk van het bedrijfsdebiet van werkgeefster. Ook de vorderingen op dit punt worden daarom afgewezen.